Oefenen · B2 · Lezen

B2 oefenexamen Lezen, de echte vorm van Programma II.

Oefen het onderdeel Lezen op B2, zoals in het Staatsexamen NT2: zes teksten, 36 vragen, 100 minuten. Je beantwoordt vragen in de examenvorm en ziet je vaardigheidsscore.

Probeer een B2 oefenexamen Lezen

Eén volledig B2-examen Lezen maken is gratis. In de volledige cursus zitten alle examens, alle oefenvragen en je krijgt uitleg bij elke fout.

Text 1 of 6

Hoe je kritiek geeft zonder dat de ander dichtklapt

Deze tekst komt uit een handleiding voor leidinggevenden en legt uit hoe je een goed feedbackgesprek voert.

Feedback geven is een van de lastigste dingen op het werk. Wie te zacht is, brengt zijn boodschap niet over; wie te hard is, jaagt de ander in de verdediging. In beide gevallen verandert er niets, en dat is precies wat je niet wilt. Goede feedback is geen kwestie van karakter, maar van techniek: er zijn een paar regels die het verschil maken tussen kritiek die werkt en kritiek die alleen maar pijn doet.

Bespreek gedrag, niet de persoon

De belangrijkste regel is dat je het over gedrag hebt, en niet over wie iemand is. "Je bent onbetrouwbaar" is een oordeel over de persoon, en daar kan niemand iets mee, behalve zich aangevallen voelen. "Je was te laat voor de afspraak van vanmorgen" gaat over één concrete gebeurtenis, en dat kun je samen bespreken. Het verschil lijkt klein, maar het is enorm. Wie de persoon bekritiseert, lokt verzet uit; wie het gedrag benoemt, opent een gesprek. De ander hoeft zich dan niet te verdedigen tegen wie hij is, maar kan kijken naar wat hij deed.

Dat verschil zit niet alleen in je woorden, maar ook in je toon. Dezelfde opmerking kan, scherp gebracht, als een aanval klinken en, rustig gebracht, als een uitnodiging tot een gesprek. Wie boos of geïrriteerd begint, zet de ander meteen op scherp, ook al heeft hij inhoudelijk gelijk. Kies daarom niet alleen je woorden zorgvuldig, maar ook het moment en de plek. Geef feedback onder vier ogen, niet waar collega's bij zijn, want kritiek in het bijzijn van anderen voelt al snel als een vernedering, en dan gaat het niet meer over de inhoud maar over de schaamte. Een goed gekozen moment doet de helft van het werk.

Wees concreet en op tijd

Feedback werkt alleen als de ander precies weet waar het over gaat. "Je doet de laatste tijd je best niet" is te vaag om iets mee te kunnen; de ander weet niet wat hij anders moet doen. Noem daarom altijd een concreet voorbeeld: wat gebeurde er, wanneer, en wat was het gevolg? Hoe concreter je bent, hoe makkelijker de ander je begrijpt. Geef feedback bovendien op tijd, niet pas weken later. Kritiek op iets wat lang geleden gebeurde, voelt als oude koeien uit de sloot halen, en de ander herinnert zich de situatie vaak niet eens meer. Hoe verser de gebeurtenis, hoe nuttiger het gesprek.

Let er daarbij op dat je niet tien dingen tegelijk noemt. Wie een lijst met klachten op tafel legt, overdondert de ander, die door de bomen het bos niet meer ziet. Beperk je tot één of twee punten die er echt toe doen. Een gesprek waarin één ding helder wordt besproken, levert meer op dan een gesprek waarin alles voorbijkomt en niets blijft hangen. Minder is hier echt meer.

Luister ook

Een veelgemaakte fout is dat mensen feedback zien als eenrichtingsverkeer: zij praten, de ander luistert. Maar een goed feedbackgesprek is een gesprek, geen toespraak. Geef de ander de ruimte om te reageren, en luister echt naar wat hij zegt. Misschien is er een reden voor zijn gedrag die je niet kende. Misschien ziet hij de situatie anders, en heeft hij daar een punt. Wie alleen zendt en niet ontvangt, mist de helft van het verhaal, en bovendien voelt de ander zich dan niet gehoord. En wie zich niet gehoord voelt, verandert zelden iets.

Het doel is vooruit, niet terug

Onthoud ten slotte waar feedback eigenlijk voor dient. Het doel is niet om gelijk te krijgen of om iemand op zijn fout te wijzen, maar om samen vooruit te komen. Sluit een gesprek daarom niet af met het verwijt, maar met een afspraak: wat gaan we hierna anders doen? Zo blijft de blik gericht op de toekomst in plaats van op het verleden. Feedback die goed gegeven wordt, voelt aan het eind niet als een straf, maar als hulp.

En vergeet niet dat feedback twee kanten op werkt. Wie zelf goede feedback wil geven, moet ook kunnen ontvangen. Een leidinggevende die kritiek uitdeelt maar zelf nooit iets wil horen, verliest al snel het vertrouwen van zijn mensen. Vraag daarom af en toe ook zelf om feedback, en laat zien dat je er iets mee doet. Dan wordt feedback geven geen eenzijdige machtsoefening, maar iets wat in het hele team normaal is. In een omgeving waarin iedereen elkaar af en toe rustig de waarheid durft te zeggen, worden fouten eerder besproken dan verborgen, en juist daar komt een team verder. En juist dan komt feedback aan.

1. Waarom is "Je bent onbetrouwbaar" volgens de tekst geen goede feedback?

  • a.Het is te vaag om iets mee te kunnen.
  • b.Het is niet beleefd genoeg geformuleerd.
  • c.Het is een oordeel over de persoon.

2. Wat is het verschil tussen kritiek op de persoon en kritiek op gedrag?

  • a.De persoon aanvallen lokt verzet uit.
  • b.Kritiek op gedrag is altijd harder.
  • c.Er is geen wezenlijk verschil.

3. Waarom moet je feedback op tijd geven?

  • a.Anders vergeet je de situatie zelf ook weer.
  • b.De ander weet het vaak niet meer.
  • c.Omdat het bedrijf dat zo verplicht.

4. Sara somt in één gesprek tien klachten op. Wat zou de tekst hierover zeggen?

  • a.Ze bespaart tijd door alles in één keer te doen.
  • b.Ze is grondig, want zo komt alles aan bod.
  • c.Ze overdondert de ander.

5. Waarom is luisteren een belangrijk onderdeel van een feedbackgesprek?

  • a.Omdat de ander dan sneller klaar is.
  • b.De ander kan een onbekende reden hebben.
  • c.Omdat luisteren nu eenmaal beleefd is.

6. Wat is volgens de laatste alinea het eigenlijke doel van feedback?

  • a.samen vooruitkomen, met een afspraak
  • b.gelijk krijgen in de discussie
  • c.iemand op zijn fout wijzen

Text 2 of 6

"Volg je hart": goed advies of een valkuil?

Deze tekst komt van een website met beschouwende artikelen over werk en opleiding en gaat over het advies om je passie te volgen.

Het is misschien wel het meest gegeven advies aan jonge mensen die een keuze moeten maken: volg je passie. Kies wat je hart je ingeeft, doe waar je van houdt, en het werk zal vanzelf goed voelen. Het klinkt prachtig, en er zit zeker waarheid in. Maar of het ook altijd goed advies is, dat is nog maar de vraag. Wie het te letterlijk neemt, kan er net zo goed door op een dwaalspoor raken.

Waarom het advies aantrekkelijk is

Laten we beginnen met wat er klopt aan dit advies. Wie werk doet waar hij echt om geeft, houdt het langer vol, werkt met meer plezier en wordt er vaak ook beter in. Dat is geen sprookje; het is gewoon waar. Iemand die zijn werk haat, sleept zich van maandag naar vrijdag, terwijl iemand die zijn werk mooi vindt, er energie uit haalt. In die zin is "doe wat je leuk vindt" een verstandige raad. Wie zijn hele leven iets doet wat hem niets zegt, betaalt daar een hoge prijs voor, ook al levert het geld op. Werk vult een groot deel van je leven, en het is geen kleinigheid of dat deel je vreugde of juist last bezorgt.

Het advies is bovendien een reactie op een ouder idee, namelijk dat werk vooral een plicht is en plezier er niet toe doet. Generaties lang werd jongeren ingeprent dat je werkt om de kost te verdienen, en dat de vraag of het leuk was er nauwelijks toe deed. Tegen die achtergrond is "volg je passie" een bevrijdend tegengeluid: het zegt dat je werk meer mag zijn dan een noodzakelijk kwaad. Dat is winst, en het verklaart waarom het advies zo aanslaat. Het probleem is niet de kern ervan, maar dat het is doorgeschoten tot een belofte die het niet kan waarmaken.

Waar het advies wringt

Toch zit er een addertje onder het gras. Het advies gaat er namelijk van uit dat iedereen een duidelijke passie heeft, klaar om gevolgd te worden. Maar zo werkt het voor de meeste mensen niet. Veel jongeren weten op hun achttiende helemaal nog niet wat hun passie is, en dat is volkomen normaal. Het advies "volg je passie" legt dan een druk op die niet klopt: het suggereert dat er iets mis is met je als je die ene grote liefde nog niet hebt gevonden. Zo wordt een bemoedigend advies ineens een bron van twijfel. Loopbaanadviseur Eva Tromp ziet het vaak: "Jongeren komen bij me met het idee dat ze hun passie kwijt zijn, terwijl ze die nooit hebben gehad. Ze denken dat ze gefaald hebben, terwijl ze gewoon nog aan het zoeken zijn."

Er is nog een tweede probleem, en dat is misschien wel belangrijker. Passie is namelijk niet alleen iets wat je vooraf voelt, maar ook iets wat groeit terwijl je iets doet. Veel mensen gaan pas van hun werk houden nadat ze er goed in zijn geworden, niet andersom. Wie wacht tot hij een vlammende passie voelt voordat hij ergens aan begint, wacht misschien zijn hele leven. Het is vaak juist het toewijden zelf, het beter worden en het overwinnen van moeilijkheden, dat de liefde voor een vak doet ontstaan. Zo bezien is "volg je passie" de zaken omdraaien: de passie volgt vaak op het werk, in plaats van eraan vooraf te gaan.

En de nuchtere kant

Daar komt nog een ongemakkelijke waarheid bij die in het mooie advies vaak ontbreekt: niet elke passie laat zich omzetten in een bestaan. Iemand kan dol zijn op iets waar nauwelijks werk of geld in te vinden is. Het advies om koste wat het kost je hart te volgen, zwijgt over de rekeningen die aan het eind van de maand toch betaald moeten worden. Dat betekent niet dat je je passie moet opgeven, maar wel dat je verstandig met haar moet omgaan. Soms is het wijzer om je passie naast je werk te beoefenen dan om er je hele bestaan op te bouwen. Wie dat een verraad aan zijn dromen vindt, vergeet dat een hobby waar je van geniet vaak gelukkiger maakt dan een passie die je onder druk tot beroep hebt gemaakt.

Een genuanceerder advies

Misschien moeten we het advies daarom iets bijstellen. Niet "volg blind je passie", maar: zoek werk dat bij je past, blijf nieuwsgierig, en geef jezelf de tijd om ergens van te gaan houden. Passie is geen kant-en-klaar kompas dat je alleen maar hoeft te volgen; het is iets wat je ontwikkelt, ontdekt en soms opnieuw uitvindt. Wie dat begrijpt, voelt minder druk en maakt vaak betere keuzes.

Dat is ook een eerlijker boodschap voor wie nog niet weet wat hij wil. Tegen de jongere die radeloos zoekt naar zijn ene grote passie, kun je beter zeggen: begin ergens, doe je best, en kijk of de liefde groeit. Veel mensen die nu met overtuiging hun vak uitoefenen, zijn er ooit min of meer toevallig ingerold. Niet de vonk vooraf, maar het volhouden achteraf heeft hun werk waardevol gemaakt. Dat haalt de druk weg om meteen de perfecte keuze te maken, want bijna geen enkele keuze is onomkeerbaar, en bijna elke ervaring leert je iets over wat wel en niet bij je past. Want de gelukkigste mensen zijn niet per se degenen die hun passie volgden, maar degenen die leerden houden van wat ze deden. En dat is een geruststellender gedachte dan het oorspronkelijke advies ooit was.

1. Hoe kun je het standpunt van de schrijver over "volg je passie" het beste samenvatten?

  • a.Het is voor jonge mensen altijd het beste advies.
  • b.Passie bestaat eigenlijk niet.
  • c.Je moet je passie nooit volgen.
  • d.Er zit waarheid in, maar het is te simpel.

2. Wat klopt er volgens de schrijver aan het advies?

  • a.Passie levert altijd genoeg geld op.
  • b.Iedereen heeft een duidelijke passie.
  • c.Wie om zijn werk geeft, houdt het vol.

3. Yara is achttien en weet nog niet wat haar passie is; ze denkt dat ze gefaald heeft. Wat zou de schrijver hierover zeggen?

  • a.Dat is normaal; het advies legt druk op.
  • b.Ze heeft haar kans op een passie gemist.
  • c.Ze moet harder zoeken naar haar passie.

4. Wat bedoelt de schrijver met "de passie volgt vaak op het werk"?

  • a.Je gaat nooit van je werk houden.
  • b.Passie en werk staan volledig los van elkaar.
  • c.Je gaat vaak pas houden van wat je goed kunt.

5. Welke "ongemakkelijke waarheid" noemt de schrijver over passie en geld?

  • a.Niet elke passie levert een bestaan op.
  • b.Wie zijn passie volgt, wordt daar altijd rijk van.
  • c.Geld verdienen is belangrijker dan gelukkig zijn.

6. Waarom kan een hobby naast je werk gelukkiger maken dan een passie als beroep?

  • a.Als hobby hoef je er niet meer voor te werken.
  • b.Als beroep verliest een passie haar vreugde.
  • c.Als hobby levert het op den duur meer geld op.

7. Met welk bijgesteld advies sluit de schrijver af?

  • a.Wacht tot je je passie voelt.
  • b.Zoek passend werk en geef jezelf de tijd.
  • c.Volg blind je passie tot je slaagt.
  • d.Kies het werk dat het meeste oplevert.

Text 3 of 6

Waarom de kleine winkel onze steun verdient

Deze tekst komt uit een lokale krant en wil mensen overhalen om vaker bij kleine, zelfstandige winkels te kopen.

Het is zo makkelijk geworden om alles online te bestellen of bij een grote keten te halen. Een paar klikken, en het ligt de volgende dag op de mat. Toch verdwijnt er met elke kleine winkel die sluit iets wat we niet zomaar terugkrijgen. De winkel om de hoek is meer dan een plek om iets te kopen, en juist daarom verdient hij onze steun, ook al kost het soms een paar cent meer.

Meer dan een transactie

Een kleine winkel is een ontmoetingsplek. De groenteboer die je bij naam kent, de boekhandelaar die precies weet wat je leuk vindt, de bakker bij wie je even een praatje maakt: dat zijn de kleine contacten die een buurt tot een buurt maken. In een grote keten ben je een klant onder duizenden; in de winkel om de hoek ben je iemand. "Een buurt zonder winkels is een buurt waar niemand elkaar nog tegenkomt," zegt winkelier Joost Verheij. Die ontmoetingen lijken klein, maar ze zijn het cement van een gemeenschap. Wie ze kwijtraakt, merkt pas later hoe waardevol ze waren.

Het geld blijft in de buurt

Er is ook een nuchter, economisch argument. Het geld dat je bij een lokale winkelier uitgeeft, blijft grotendeels in de buurt. De winkelier woont hier vaak zelf, koopt zelf weer in bij andere lokale bedrijven, en betaalt zijn personeel dat hier in de buurt woont. Zo blijft het geld rondgaan in de eigen omgeving. Geef je datzelfde geld uit bij een grote keten, dan verdwijnt het grootste deel ervan naar een hoofdkantoor ver weg. Door lokaal te kopen, houd je je eigen buurt economisch gezond, ook al merk je dat niet meteen.

Kleine winkels houden bovendien een straat levend op een manier die je pas mist als ze weg zijn. Een straat met winkels is een straat waar mensen lopen, waar wat te zien is, waar je je 's avonds niet onveilig voelt omdat er reuring is. Verdwijnen de winkels, dan komen er dichtgetimmerde etalages voor in de plaats, en een straat met lege panden trekt al snel verval aan. Het ene lege pand maakt het volgende makkelijker, en voor je het weet is een levendige winkelstraat veranderd in een doodse doorgang. Zo bezien koop je bij de kleine winkel niet alleen een brood of een boek, maar houd je een stukje van je eigen omgeving overeind.

"Maar het is toch duurder?"

De meestgehoorde tegenwerping is de prijs. En het klopt: bij de kleine winkel betaal je soms iets meer dan online. Maar dat verschil is vaak kleiner dan mensen denken, en er staat veel tegenover. Je krijgt advies van iemand die zijn vak kent, je hoeft niet te wachten op een pakketbezorger, en je kunt iets meteen ruilen als het niet bevalt. Bovendien betaal je bij de grote keten misschien minder in euro's, maar je betaalt op een andere manier: met het langzaam verdwijnen van de winkels in je eigen straat. De laagste prijs is niet altijd de beste keuze, als je meerekent wat je ervoor opgeeft.

Een keuze die telt

Niemand vraagt je om nooit meer iets online te bestellen. Sommige dingen koop je nu eenmaal makkelijker op het scherm, en dat hoeft ook niet anders. Het gaat om de balans. Wie voor álles standaard de grote keten of de webwinkel kiest, laat de kleine winkel langzaam verhongeren zonder het te merken. Wie af en toe bewust voor de winkel om de hoek kiest, houdt hem in leven. Het hoeft geen offer te zijn; het is een gewoonte die je kunt opbouwen, net zoals je de gewoonte hebt opgebouwd om alles online te halen.

Bedenk daarom dat elke aankoop een kleine stem is. Koop je bij de winkel om de hoek, dan stem je voor een levendige buurt met winkels, contact en bedrijvigheid. Koop je altijd elders, dan stem je, zonder het te willen, voor lege etalages en stille straten. De winkel om de hoek bestaat alleen zolang wij er kopen. Het is aan ons of hij er over tien jaar nog is. En dat is, als je erover nadenkt, geen kleine verantwoordelijkheid, maar ook geen zware: het begint met af en toe bewust de deur van die kleine winkel openduwen.

1. Wat is het doel van deze tekst?

  • a.uitleggen hoe je het goedkoopst bestelt
  • b.lezers overhalen vaker lokaal te kopen
  • c.reclame maken voor een grote keten

2. Welke zin uit de tekst is een feit en geen overtuigingsmiddel?

  • a."Elke aankoop is een kleine stem."
  • b."Het geld blijft grotendeels in de buurt."
  • c."Die ontmoetingen zijn het cement."
  • d."In de winkel om de hoek ben je iemand."

3. Anouk koopt haar groente bij de lokale groenteboer. Waarom blijft dat geld volgens de tekst in de buurt?

  • a.Lokale winkels betalen geen belasting.
  • b.De overheid regelt dat voor de buurt.
  • c.De winkelier woont en koopt hier.

4. Hoe reageert de schrijver op de tegenwerping dat de kleine winkel duurder is?

  • a.Hij geeft het toe, maar noemt een andere prijs.
  • b.Hij ontkent dat de kleine winkel duurder is.
  • c.Hij vindt dat prijs het enige is wat telt.

5. Wat bedoelt de schrijver met "elke aankoop is een kleine stem"?

  • a.Bij elke aankoop moet je gaan stemmen.
  • b.Winkels zijn eigenlijk politieke partijen.
  • c.Waar je koopt, bepaalt je buurt.

6. Wat bedoelt Joost Verheij met "Een buurt zonder winkels is een buurt waar niemand elkaar nog tegenkomt"?

  • a.Mensen zijn liever alleen dan in gesprek.
  • b.Winkels staan tegenwoordig altijd vol mensen.
  • c.Zonder winkels verdwijnt het contact.

Text 4 of 6

Andere woorden, andere wereld: taal en hoe we denken

Deze tekst komt van een populairwetenschappelijke website en gaat over de vraag of de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je denkt.

Spreek je een andere taal, dan denk je dan ook anders? Het is een vraag die wetenschappers al lang bezighoudt, en het antwoord is fascinerender dan je zou verwachten. Want hoewel alle mensen in de kern hetzelfde brein hebben, blijkt de taal die je spreekt wel degelijk te kleuren hoe je naar de wereld kijkt, soms op manieren waar je je niet eens bewust van bent.

Woorden die de ene taal wel heeft en de andere niet

Een goed voorbeeld zijn de woorden die in de ene taal bestaan en in de andere niet. Sommige talen hebben aparte woorden voor lichtblauw en donkerblauw, alsof het twee verschillende kleuren zijn, terwijl wij ze allebei gewoon "blauw" noemen. Onderzoek laat zien dat sprekers van zulke talen het verschil tussen die twee tinten iets sneller zien dan wij. Niet omdat hun ogen anders zijn, maar omdat hun taal hen heeft geleerd op dat verschil te letten. De woorden die je tot je beschikking hebt, sturen als het ware je aandacht.

Hetzelfde geldt voor begrippen die in de ene taal in één woord passen en in de andere alleen met een hele zin zijn uit te leggen. Er bestaan talen met een woord voor het prettige gevoel van samen gezellig binnen zitten terwijl het buiten stormt, of voor de lichte weemoed om iets wat voorbij is. Wij kennen dat gevoel ook, maar we hebben er geen kant-en-klaar woord voor, en daardoor benoemen we het minder snel. Een woord hebben voor iets maakt dat iets makkelijker grijpbaar; het haalt een vaag gevoel naar de voorgrond en geeft het een naam. Zo bepaalt de woordenschat van een taal voor een deel waar haar sprekers oog voor hebben.

Richting en tijd

Nog opvallender is hoe verschillend talen omgaan met richting. Wij zeggen "links" en "rechts", gezien vanuit onszelf, en wat links is verandert zodra wij ons omdraaien. Maar er bestaan talen waarin mensen altijd in windrichtingen spreken: niet "de kopje staat links van je", maar "het kopje staat ten noorden van je". Het noorden blijft het noorden, hoe je ook staat. Wie zo'n taal spreekt, moet voortdurend weten waar het noorden is, ook binnenshuis, en blijkt daar opvallend goed in. Hun taal heeft hun een richtingsgevoel meegegeven dat wij missen. Iets soortgelijks geldt voor tijd: niet elke taal plaatst de toekomst vóór zich en het verleden erachter, zoals wij doen. Sommige talen kennen heel andere beelden, en die beelden kleuren hoe hun sprekers over tijd denken.

Dat alles betekent niet dat taal ons denken volledig bepaalt. Dat is een misverstand dat lang heeft standgehouden, maar dat te ver gaat. Een Nederlander die geen apart woord voor lichtblauw heeft, kan het verschil prima zien als je hem erop wijst; hij let er alleen uit zichzelf minder op. Taal dwingt ons denken dus niet in een bepaalde richting, maar ze maakt sommige paden makkelijker begaanbaar dan andere. Het is een duwtje, geen dwang.

Dat onderscheid is belangrijk, want het voorkomt een verkeerde conclusie. Wie denkt dat taal het denken volledig bepaalt, zou kunnen menen dat mensen die een andere taal spreken in een totaal andere wereld leven, onbereikbaar voor ons. Maar zo is het niet. Juist omdat het om een duwtje gaat en niet om een dwang, kunnen we elkaars manier van kijken leren begrijpen, ook als onze talen verschillen. Een gevoel waar het Nederlands geen woord voor heeft, kun je een Nederlander toch uitleggen; hij hoeft het woord niet te kennen om het gevoel te herkennen. Taal kleurt ons denken, maar ze sluit ons er niet in op.

Waarom dit ertoe doet

Juist dat maakt het leren van een nieuwe taal zo waardevol. Wie een tweede taal leert, leert niet alleen nieuwe woorden, maar krijgt er een nieuwe manier van kijken bij. Dingen die in je eigen taal vanzelfsprekend leken, blijken ineens ook anders te kunnen, en daardoor ga je je eigen taal met andere ogen zien. Dat verruimt je blik, niet alleen op de taal, maar op de wereld. Misschien is dat wel het mooiste wat een vreemde taal je geeft: niet alleen de mogelijkheid om met meer mensen te praten, maar ook een glimp van hoe diezelfde wereld er door andere ogen uitziet.

1. Wat is de kerngedachte van deze tekst?

  • a.Alle talen zijn in de kern precies hetzelfde.
  • b.Taal heeft geen invloed op het denken.
  • c.Sommige talen zijn beter dan andere talen.
  • d.Taal kleurt je blik, maar dwingt niet.

2. Waarom zien sprekers van sommige talen het verschil tussen lichtblauw en donkerblauw sneller?

  • a.Ze kunnen beter zien in het donker.
  • b.Hun taal leert hen op dat verschil te letten.
  • c.Hun ogen zijn anders gebouwd dan de onze.

3. Senna spreekt een taal die altijd in windrichtingen spreekt. Wat is volgens de tekst kenmerkend voor haar?

  • a.Ze verdwaalt vaker dan anderen.
  • b.Ze kent geen links en rechts.
  • c.Ze weet altijd waar het noorden is.

4. Wat bedoelt de schrijver met "Het is een duwtje, geen dwang"?

  • a.Taal heeft geen enkele invloed.
  • b.Taal maakt bepaalde paden makkelijker.
  • c.Taal bepaalt ons denken volledig.

5. Welk misverstand noemt de schrijver?

  • a.dat taal niets met denken te maken heeft
  • b.dat alle talen kleurwoorden hebben
  • c.dat taal ons denken volledig bepaalt

6. Waarom is het leren van een nieuwe taal volgens de slotalinea zo waardevol?

  • a.Je wordt er uiteindelijk rijk van.
  • b.Je krijgt er een nieuwe blik bij.
  • c.Je kunt dan je eigen taal vergeten.

Text 5 of 6

Jacht op geluk: hoe het zoeken het vinden in de weg kan zitten

Deze tekst komt uit een tijdschrift en gaat over de vraag of je geluk kunt nastreven als doel.

Iedereen wil gelukkig zijn. Het lijkt het meest vanzelfsprekende doel dat er is, en de hele wereld lijkt het ons aan te raden: wees gelukkig, kies voor jezelf, ga voor wat je blij maakt. Toch is er iets vreemds aan de hand met geluk: hoe harder je het najaagt, hoe verder het vaak van je weg lijkt te lopen. Wie geluk tot zijn levensdoel maakt, ontdekt soms dat juist die jacht hem ongelukkig maakt. Hoe zit dat?

De valkuil van het meten

Wie geluk tot doel maakt, gaat het onvermijdelijk meten. Ben ik nu gelukkig? Gelukkiger dan gisteren? Gelukkiger dan mijn buurman? En juist dat voortdurende meten zit het geluk in de weg. Want zodra je jezelf afvraagt of je gelukkig bent, stap je uit het moment en ga je het beoordelen, en dat beoordelen is het tegenovergestelde van onbezorgd genieten. "Mensen die voortdurend nagaan hoe gelukkig ze zijn, leggen de lat steeds hoger, en raken juist daardoor vaker teleurgesteld," zegt psycholoog Iris Maas. Het meten zelf maakt ontevreden, omdat er altijd wel iets is wat beter zou kunnen.

Dat effect wordt in onze tijd nog versterkt. We worden voortdurend omringd door beelden van het zogenaamd perfecte leven van anderen: hun reizen, hun feesten, hun stralende gezinnen. Tegen die maatstaf legt het eigen gewone leven het bijna altijd af. Niet omdat het minder is, maar omdat we ons eigen volledige leven, met alle saaie en moeilijke momenten, vergelijken met de hoogtepunten van een ander. Wie geluk al was gaan meten, krijgt er zo een oneerlijke meetlat bij, en raakt nog sneller ontevreden over iets wat in werkelijkheid prima is.

Geluk als bijvangst

Misschien is geluk daarom wel geen doel dat je rechtstreeks kunt bereiken, maar iets wat je overkomt terwijl je met iets anders bezig bent. Denk aan de momenten waarop je je echt gelukkig voelde. Grote kans dat je op dat moment niet bezig was met de vraag of je gelukkig was, maar opging in iets: een goed gesprek, werk waar je in verdwaalde, een wandeling waarbij je de tijd vergat. Pas achteraf, terugkijkend, besefte je dat je gelukkig was geweest. Op het moment zelf was je het simpelweg, zonder erbij stil te staan. Geluk is in die zin een bijvangst: het komt vanzelf, als je je richt op iets buiten jezelf. Wie het rechtstreeks najaagt, grijpt vaak mis, zoals je een vlinder verjaagt door er te hard naar te graaien.

Dat verklaart waarom mensen die zich inzetten voor iets groters dan zijzelf, vaak gelukkiger zijn dan mensen die alleen hun eigen geluk zoeken. Niet omdat opoffering nu zo nobel is, maar omdat ze hun aandacht naar buiten richten, en daar precies het geluk vinden waar de ander vergeefs in zichzelf naar graaft. Het is een merkwaardige tegenstelling: door minder met je eigen geluk bezig te zijn, word je er vaak gelukkiger van.

Niet jagen, maar ruimte maken

Betekent dit dat je niets aan je geluk kunt doen? Dat niet. Maar het betekent wel dat je het anders moet benaderen. Je kunt geluk niet afdwingen, maar je kunt er wel ruimte voor maken: door dingen te doen die je raken, mensen op te zoeken die je dierbaar zijn, en je aandacht te richten op iets wat je boeit. En dan, als je er niet op let, sluipt het geluk vanzelf naar binnen.

Het helpt ook om kleiner te kijken. Wie wacht op het grote geluk, op die ene dag waarop alles klopt, kijkt vaak straal langs de kleine momenten heen die er wél zijn: een kop koffie in de zon, een onverwacht berichtje, een gesprek dat blijft hangen. Het grote geluk is zeldzaam en kortstondig; de kleine momenten zijn er bijna elke dag, als je ze maar ziet. Misschien is gelukkig zijn dan ook niet zozeer een kwestie van meer geluk najagen, maar van beter opmerken wat er al is. De kunst is dus niet om harder te jagen, maar om te stoppen met jagen, en in plaats daarvan een leven te leiden waarin geluk de ruimte krijgt om langs te komen. Wie dat doet, merkt vaak dat het er al was, terwijl hij er zo druk naar zocht.

1. Hoe kun je het standpunt van de schrijver over geluk het beste samenvatten?

  • a.Geluk is eerder een bijvangst dan een doel.
  • b.Geluk bestaat eigenlijk niet.
  • c.Alleen rijke mensen kunnen gelukkig zijn.
  • d.Geluk is een doel dat je rechtstreeks moet najagen.

2. Waarom zit het voortdurend meten van je geluk dat geluk in de weg?

  • a.Omdat je er rijker van wordt.
  • b.Omdat geluk niet te meten valt.
  • c.Je stapt uit het moment.

3. Wat wil de schrijver duidelijk maken met de vergelijking van de vlinder?

  • a.Je moet leren vlinders te vangen.
  • b.Wie te hard grijpt, verjaagt het geluk.
  • c.Geluk is zeldzaam en moeilijk te vangen.

4. Wout zet zich elke week in voor de voedselbank en voelt zich daardoor gelukkiger. Hoe verklaart de tekst dit?

  • a.Hij verdient er zelf ook geld mee.
  • b.Opoffering voor anderen is nu eenmaal nobel.
  • c.Hij richt zijn aandacht naar buiten.

5. Met welk advies sluit de schrijver af?

  • a.Accepteer dat je nooit gelukkig wordt.
  • b.Stop met jagen en maak ruimte voor geluk.
  • c.Jaag harder op het geluk dat je zoekt.

Text 6 of 6

Reglement Stadsbibliotheek Noorderhof

Deze tekst komt uit het reglement van een stadsbibliotheek. Lees eerst de vraag. Zoek het antwoord in de tekst.

Dit reglement geldt voor alle leden en bezoekers van Stadsbibliotheek Noorderhof.

Artikel 1 — Lidmaatschap

Een lidmaatschap loopt twaalf maanden en wordt daarna automatisch verlengd. Opzeggen kan tot uiterlijk een maand voor de verlengdatum, schriftelijk of via uw account. Jongeren tot en met achttien jaar zijn gratis lid; voor volwassenen bedraagt de bijdrage vijfenveertig euro per jaar. Wie halverwege het jaar lid wordt, betaalt naar rato.

Artikel 2 — Lenen

U leent maximaal tien materialen tegelijk. Boeken leent u drie weken, tijdschriften en films een week. Verlengen kan tweemaal, tenzij een ander lid het materiaal heeft gereserveerd. Materialen uit de studiecollectie zijn niet uitleenbaar en kunt u alleen in de leeszaal raadplegen.

Artikel 3 — Te laat inleveren

Levert u te laat in, dan betaalt u vijftien cent per dag per materiaal. Het totale bedrag per materiaal is nooit hoger dan zes euro. Bij een openstaand bedrag boven de tien euro kunt u niets nieuws lenen totdat u heeft betaald. Op zon- en feestdagen loopt de telling niet door.

Artikel 4 — Reserveren

Reserveren kost vijftig cent per materiaal en kan via uw account of aan de balie. Zodra het materiaal binnen is, ontvangt u bericht en ligt het zeven dagen voor u klaar. Haalt u het niet op, dan vervalt de reservering en worden de kosten niet terugbetaald.

Artikel 5 — Schade en verlies

Bij schade of verlies vervangt u het materiaal of vergoedt u de aanschafwaarde, vermeerderd met vijf euro administratiekosten. Voor materialen ouder dan tien jaar geldt een vast tarief van tien euro. Kleine gebruikssporen worden niet in rekening gebracht.

Artikel 6 — Gebruik van de leeszaal

In de leeszaal wordt stilte verwacht. Telefoneren kan in de hal. Eten is niet toegestaan; een afgesloten fles water mag wel. De werkplekken met computer zijn te reserveren voor blokken van twee uur, met een maximum van twee blokken per dag.

1. Anouk is negentien en wil lid worden in juli, halverwege het jaar. Wat betaalt zij?

  • a.De volle vijfenveertig euro.
  • b.Een deel van de vijfenveertig euro, naar rato.
  • c.Niets, want jongeren zijn gratis lid.

2. Karim heeft een film geleend en wil die langer houden. Wat geldt daarvoor?

  • a.Hij mag films niet verlengen, alleen boeken en tijdschriften.
  • b.Hij mag onbeperkt verlengen.
  • c.Hij mag tweemaal verlengen.

3. Iemand levert een boek veertig dagen te laat in. Hoeveel betaalt hij voor dat boek?

  • a.Zes euro.
  • b.Vijftien cent.
  • c.Tien euro.

4. Fatima krijgt bericht dat haar reservering klaarligt, maar zij kan pas over tien dagen langskomen. Wat gebeurt er?

  • a.De reservering blijft staan tot zij het ophaalt.
  • b.De reservering vervalt, zonder teruggave.
  • c.Zij betaalt opnieuw vijftig cent.

5. Een lid raakt een boek uit 2009 kwijt. Wat moet hij betalen?

  • a.Een vast tarief van tien euro.
  • b.Niets, want gebruikssporen worden niet in rekening gebracht.
  • c.De aanschafwaarde plus vijf euro administratiekosten.

6. Hoeveel uur kan iemand op één dag een computerwerkplek reserveren?

  • a.Onbeperkt.
  • b.Vier uur.
  • c.Twee uur.

Lezen oefenen op B2-niveau.

Op B2 loopt het onderdeel Lezen via het Staatsexamen NT2 Programma II. Dit is het niveau voor studeren of werken op hbo of universiteit. De teksten zijn complexer dan op B1. Je krijgt artikelen, verslagen en betogen waarin het antwoord vaak zit in hoe de schrijver iets opbouwt, niet in één losse zin. Je krijgt 100 minuten voor zes teksten met in totaal 36 vragen en je mag een woordenboek gebruiken.

Je oefent het beste door complete teksten te lezen uit nieuws en tijdschriften. Je mag een woordenboek gebruiken, maar zoek alleen de woorden op die je begrip blokkeren. Een woordenboek gebruiken kost namelijk tijd. Doe één volledig oefenexamen, ontdek welk teksttypes of vraagtypes je punten kostten en blijf deze onderdelen oefenen.

Deze oefenexamens horen bij de hele inburgeringscursus. Oefen de andere onderdelen op de B2 inburgering oefenexamens pagina, of doe de gehele inburgeringscursus B2.

Veelgestelde vragen over B2 Lezen

Op B2 loopt het onderdeel Lezen via het Staatsexamen NT2 Programma II. Je leest op de computer en de teksten zijn complexer dan op B1. Je krijgt volwaardige artikelen, verslagen en betogen. Je krijgt 100 minuten voor zes teksten en 36 vragen.

Je wordt beoordeelt op of je de juiste betekenis uit een complexe tekst kan halen. De vragen laten je een specifiek detail zoeken en scannen naar het stuk dat relevant is. Ze vragen je ook tussen de regels te lezen, de hoofdgedachte te begrijpen en het doel van de schrijver te formuleren. Het antwoord zit vaak in hoe de schrijver iets opbouwt over een langere tekst, niet in één losse zin. Je leest dus nauwkeurig en snel tegelijk.

Je wordt beoordeeld met een vaardigheidsscore. Je slaagt bij 500 en dat is geen percentage. Bij dit oefenexamen haal je die 500 bij 25 van de 36 goed, maar het aantal exacte punten verschilt per examen. Dit oefenexamen laat zien waar je punten verloor, zodat je weet welk soort teksten je vaker moet lezen.

De teksten zijn moeilijker en meer betogend. Op B1 staat het antwoord vaak direct in de tekst. Op B2 moet je vaker volgen hoe de schrijver een punt opbouwt over een langere tekst. Dezelfde vaardigheid, maar op een hoger niveau.

Doe één B2-examen Lezen gratis,
ga daarna verder in de cursus.

Je maakt één volledig B2-examen Lezen gratis, met je score. In de cursus zitten alle leesexamens, alle oefenvragen en de uitleg bij elk onderdeel. Zo oefen je zonder limiet tot je vaardigheidsscore op 500 staat.

Inburgering B2 Lezen Oefenen 2026: Gratis Examen